Net wanneer je denkt dat het muziekjaar ten einde loopt duikt er toch onverwachts weer een grote verrassing op. Uit Nederland nota bene. Het gaat hier om de voormalig Groningse band (nu Randstad) met de prachtige en vooral typerende naam Winterpain. David Fliers (zang, gitaar, bas, fluit) en Sietse Dost (bas, gitaar, achtergrondzang, drumprogrammering, samples) zijn nadat ze een aantal drummers hebben versleten nu het tweetal achter de band. Hoewel de band als sinds het begin van dit decennium bestaat, is het nooit verder gekomen dan een demo. Wel hebben ze op diverse podia al indruk gemaakt. Daarnaast is Sietse ook nog druk in de weer geweest met Lawn. Tussen 2002 en nu hebben de beide heren gewerkt aan het album With Love, uitgebracht op hun eigen label. Dat het “met liefde” gemaakt is hoor je aan alles. De nummers zitten namelijk van voor tot achter sterk in elkaar met een fraaie opbouw en oog ehm oor voor subtiele, mooie details. Hoewel de muziek is opgenomen op een slaapkamer, is het geluid helder, scherp en van hoogwaardige kwaliteit. De muziek is zoals te verwachten valt van een heerlijk droefgeestigheid. Dat combineren ze dan ook nog eens met nostalgie en gewoonweg ijzersterke, veelal uptempo songs. Doordat ze de vaart erin houden slaat het ook nergens dicht. Toch weten ze wel een nachtelijke en intieme sfeer neer te zetten. De stem van David heeft daarbij ook precies het juiste licht getourmenteerde in zijn stem waardoor alle liedjes al snel onder je huid kruipen. De nummers zijn in goed Engels gezongen, iets dat sommige Nederlandse bands nog wel eens ontberen. Gastoptredens van Marian Hoiting (zang), Andreas Willemse (viool), Hongjuan Chen (zang/spoken words) en Annika van Holst (tekst) leuken de cd verder op in 3 van de 11 nummers. Je kunt de muziek wellicht het beste duiden als een herfstige en winterse mix van indie, post-rock, droompop, new wave en rockende singer-songwritermuziek, waarbij de mineurakkoorden als herfstbladeren of sneeuwvlokken met bakken tegelijk naar beneden dwarrelen. Ze kunnen hun baspartijen laten rollen zoals The Cure op Disintegration of de Cocteau Twins op al hun werken en blikken weemoedig terug net als Clemm, Dress, Red House Painters, Power Of Dreams en Sophia. Naast de verwantschap met deze bands, die je meteen doen terugblikken naar mooie vervlogen tijden, springen toch als eerste de overeenkomsten met de aan elkaar gelieerde bands Pinback, Systems Officer, Three Mile Pilot en Thingy in het gehoor. Dit overigens zonder dat Winterpain inboet aan hun eigen identiteit. Want die muziek met een betraande lach en grootschalige intimiteit is toch wel hun handelsmerk. Het is wonderschone, troostende muziek voor de koudste dagen van het jaar in welk seizoen dan ook.
Vorig jaar nog brengt de geweldige, grensoverstijgende Nederlandse formatie Strange Attractor een ode aan hun jeughelden met de mysterieuze en wereldse cd Mettle. Saxofonist/klarinettist Niels van Hoorn (Niels van Hornblower van The Legendary Pink Dots, Teargarden) en elektronicaspecialist Richard van Kruysdijk (van Sonar Lodge, Szense, Phallus Dei) slaan daarop naast de vertrouwde zangeres Marie-Claudine Vanvlemen (Sonar Lodge) de handen ineen met een groot deel van die jeugdhelden, als Edvard Graham Lewis, Winston Tong, David J, Peter Christopherson en Richard Sinclair. Een weergaloos album. Nu is er de nieuwe mini Youth, over jeugd gesproken. De titeltrack is een nummer van Soft Cell, wellicht nog een jeugdheld, waar Marie-Claudine met haar hemelse, jazzy stem het vocale gedeelte op zich neemt. Dat doet ze ook nog in een andere van de in totaal 4 tracks. Die overige 3 nummers zijn van hun eigen hand. Het album ligt in het verlengde van het vorige, hetgeen garant staat voor uiterst sfeervolle en mysterieuze nachtmuziek die het midden houdt tussen jazz, avant-garde, trip hop, filmmuziek en ambient, of “songscapes” zoals ze het zelf zo mooi omschrijven. De associatie die ik hier het sterkst naar boven vind komen is die van Tuxedomoon, maar eigenlijk kan je stellen dat Strange Attractor een naam op zich is geworden. Een ijzersterk kleinood kan je wel stellen.
Hoe sommige connecties tot stand komen weet ik niet, maar de band met de typische naam Thus:Owls bestaat uit een handvol Zweden en de Canadees Simon Angell die hand en spandiensten verleent bij Patrick Watson. De hoofdrol op hun cd met de vrolijke titel Cardiac Malformations is wat mij betreft weggelegd voor zangeres Erika Alexandersson (ook van Lonely Dears). Op Myspace zie ik trouwens ook dat ze zich Erika Angell noemt, dus hoogstwaarschijnlijk is dat wel de link met de Canadees. Erika kan met haar overwegend hees getourmenteerde stem vele kanten op. In de openingstrack lijkt ze bijvoorbeeld wel op Siouxsie maar dan met Philip Glass als begeleidingsband. Ja, ook de begeleidingsband, bestaande uit 4 vaste en 5 gastmuzikanten, en instrumenten mogen er wezen. Ze bereiden hun eigengereide avant-pop namelijk met piano, bas, pomporgels, fluiten, banjo, gitaren, contrabas, cello, trompet, klarinet, trombone, viool, vibrafoon en koorzang. Het merendeel is rustiek en van een etherische pracht en zeker in de meerstemmige stukken stijgen ze naar grote hoogten. Daarnaast experimenteren ze er vrolijk op los, zonder te verzanden in ondoorwaadbaar geneuzel. Ze laveren vlotjes van wave naar minimal music en van jazz naar klassiek, maar verlaten nooit helemaal de pop-wateren. Ze komen daarmee ergens uit op een mix van Lisa Germano, Cat Power, Shannon Wright, Siouxsie, Philip Glass, Efterklang, Patrick Watson, The Knife, Hanne Hukkelberg, A Silver Mt Zion en Lonely Dear. Fel en toch rustiek, mysterieus maar grijpbaar, kil doch hartverwarmend en van een opgewekte melancholie. Een bijzonder en aangrijpend werk.
Ik heb dit jaar ongetwijfeld de meeste woorden gewijd aan de releases van Peter Broderick en Machinefabriek. Van Rutger Zuydervelt, de Nederlandse grootproducent achter Machinefabriek, zijn we dat wel gewend met zijn bijzondere, tot de verbeelding sprekende gitaarambient en elektronische composities, die altijd van hoge kwaliteit zijn. Maar ook multi-instrumentalist/songwriter/componist Peter Broderick begint zich als solo artiest enorm te profileren. Hij is eerder al te horen bij Norfolk & Western, Efterklang (pst: nieuw album op 4ad in 2010), Horse Feathers, Loch Lomond, Laura Gibson en bij zijn zus Heather Woods Borderick. Dat naast zijn vele solo albums van de afgelopen twee jaar op labels als Kning Disk, Bella Union, Type, Erased Tapes en Secret Furry Hole. Peter Broderick weet als geen ander op uiterst droefgeestige en adembenemende wijze filmisch neoklassiek te koppelen aan folk en elektronica. Soms enkel met pianomuziek, maar vaak ook met strijkers, uiteenlopende elektronica, orgel of een gitaar en zang. Dat deze twee heren een keer de handen ineen zouden slaan leek onvermijdelijk, ook al benadert Broderick de muziek meer als songwriter en Machinefabriek meer vanuit de experimentele kant. Waar de beide heren de meeste winst kunnen behalen en ver boven zich uit kunnen stijgen is in hun gemeenschappelijke midden, namelijk het melancholische, filmische deelgebied. Dat is ook precies wat ze gedaan hebben op hun gezamenlijke cd Blank Grey Canvas Sky, ditmaal uitgebracht op het kleine kwaliteitslabel Fang Bomb. De piano-, strijk- en spaarzame zangpartijen van Broderick harmoniseren op natuurlijke wijze met de gruizige laptopkunsten van Machinefabriek. Ze krijgen nog extra steun van zangeres Susanna Lundgren en de pianisten Adam Selzer en Nils Frahm. Het resultaat is eigenlijk nog mooier dan de gedroomde uitkomst. Beide heren weten elkaar tot grote hoogten te drijven. Zinderende, mysterieuze en emotioneel overweldigende klanklandschappen die deels neoklassiek, deels song en deels filmisch experiment zijn. Er is eigenlijk geen vinger op te leggen, want de schoonheid is enorm, om naar adem te happen. Je laten overdonderen lijkt het enige devies bij deze intieme en breekbare pracht. Het maakt elke vergelijking overbodig. Ontroerend mooi. Hulde!
Vlak voor het uiteenvallen van Slowdive in 1995 heeft de band net een zeer interessante wending gemaakt, namelijk van die prachtige, warme shoegazersound naar een meer elektronisch gericht geluid. Maar het mocht niet baten. Zanger Neil Halstead en zangeres Rachel Goswell kiezen beide voor een meer gezapige singer-songwritercarrière. Dat is wellicht altijd blijven knagen aan ex-drummer Simon Scott, want hij komt nu wel met de elektronische release Navigare. Hij heeft hiervoor ook gewerkt met Antony Ryan van Isan in Seavault en Rafael Anton Irisarri (in The Sight Below’s liveband). Tevens runt hij het Kesh label. Hij brengt nu zijn eerste solo cd uit op het prestigieuze, duistere Miasmah label van Erik K. Skodvin (Deaf Center, Svarte Greiner). Volgelingen van dit label weten dat je elke release eigenlijk gewoon blind kunt aanschaffen. Dat geldt ook zeker voor de nummer 11 op het label. Simon Scott maakt een tot de verbeelding sprekende mengelmoes van duistere drones, ambient, droompop en neoklassiek die als een zwarte donderwolk over je heen drijft. Uit die wolk kletteren dikwijls gitzwarte elektronische druppels neer op het toch al donkere geheel. Hij wordt vergezeld door Rafael Anton Irisarri, Jasper TX, Andreas Tillander en Moskitoo. Het heeft wel wat weg van een door de gehaktmolen gehaalde My Bloody Valentine die door Fennesz en Arvo Pärt weer tot een eetbaar geheel is opgewaardeerd. Andere associaties die je krijgt bij dit melancholische geheel zijn Labradford, Svarte Greiner, Elegi, Jacaszek, Jasper TX, The Caretakerr en Xela. Als een losgeslagen modderrivier overweldigt deze muziek je, zonder dat je kopje onder gaat dan. Emotioneel, onaards en wonderschoon. En alweer een geweldige aanwinst op Miasmah.
Twee heren uit de Randstad die zich af en toe laten inspireren door het Limburgse Geuldal. De natuur, het uitzicht, mensen die zich op hun fiets door het heuvelachtige landschap ploeteren en de faciliteiten van bij wijze van spreken een blokhut, dat is genoeg. In 2004 laten ze de mini The Locker en het album Boat Of Sinking Water het licht zien vol ingetogen, serene en tot de verbeelding sprekende trage pop. Bij al die muziek die boekdelen spreekt zijn ook geen namen nodig, de muziek volstaat. Het derhalve enigszins mysterieuze duo dat zich I Saw Les Monte noemt, komt ergens uit tussen The Triffids, Talk Talk, Hood, Talking Heads, Spoonfed Hybrid en David Lynch. Dit zonder dat ze zich ergens op richten, want in de eerste plaats maken ze een schetsmatige soundtrack voor hun eigen ervaringen. Luister hun oude songs overigens gewoon via hun website, dan krijg je een goed idee. Lome, mysterieuze zang met half-liedjes tussen droom en werkelijkheid met zowel akoestische instrumenten als elektronica en veldopnames. Daarmee zijn ze met niemand echt te vergelijken, laat staan in een hokje te duwen. Het heeft er alle schijn van dat het nadien afgelopen is. Maar ineens is daar toch weer de nieuwe mini cd 12-Pointer van net meer dan 15 minuten. Lengte zegt in het geval van I Saw Les Monte niets, want zes songs lang weten ze je bij de lurven te grijpen met muziek die je even helemaal uit de realiteit wegneemt. Hierdoor heb je net als een lang weekend weg het gevoel er even helemaal uit te zijn geweest; opgeladen en bijgetankt. De akoestische gitaar leidt en krijgt rugdekking van allerlei nachtelijke elektronica, samples (van onder meer blaasinstrumenten) en licht getourmenteerde, soms spookachtige zang. Die zang wordt overigens ingezet als een extra instrument en vormt één geheel met de muziek. De intieme, mysterieuze en nachtelijke atmosfeer is werkelijk betoverend. Naast de eerder genoemde referenties mag je ook Zoppo, Roy Santiago, Eels, Low, Sparklehorse, Pinback, Disco Inferno, The Notwist, Mark Hollis en Lamchop daaraan toe voegen. En dat alles met een geheel eigen smoel. Hopelijk krijgen we hier snel meer van te horen, want dit is een biologerend kleinood om te koesteren.
Zanger/gitarist en songwriter Colin Newman is een bijzondere artiest die maar van geen ophouden weet. Hij gaat zowel door met zijn in 1977 gestarte Wire (en Wir) als het later in het leven geroepen superproject Githead. Daarnaast runt hij samen met vrouwlief Malka Spigel (Githead, ex-Minimal Compact) het label Swim. Githead is de avant-gardistische popband die naast Colin en Malka ook Robin Rimbaud (ofwel Scanner) en Max Franken (ook ex-Minimal Compact) in de gelederen hebben. Net als de laatste cd Object 47 van Wire uit 2008, is ook de nieuwe Githead behoorlijk stevig of ten minste nogal concreet te noemen. De veelal uptempo songs zijn goed opgebouwd en kruipen al snel onder je huid. De muziek is toegankelijk te noemen, maar zeker niet gemakkelijk. Daarvoor zitten ze ook te lang in het vak. Ze houden dat eclectische geluid, noem het avant-garde, dat hun altijd zo kenmerkt ook hier fier omhoog. Je krijgt verslavende repetitieve gitaarpartijen die worden voortgestuwd door de pompende bassen en aangevuld met de typische zang van Colin. Eigenlijk komt dit nog het best in de buurt van een meer naar de popmuziek opgeschoven Wire met nog wat meer wave invloeden. Ze zijn uiteraard hun eigen referentie. Een ijzersterke plaat die zowel bij de Wire-fans als bij de liefhebbers van de betere alternatieve pop goed zal landen.
Ik vind al jaren dat de Deense muzikant Anders Remmer iets aan zijn bandnaam moet doen, want bij Dub Tractor zal je toch snel associaties krijgen met enigszins lompe dub, boerendub. Toch maakt hij daar al sinds halverwege de jaren negentig muziek mee die toch heel anders uitpakt. Als er namelijk al sprake zou zijn van dub, dan verpakt hij dat doorgaans stevig in elektronica en shoegazersmuziek. Waar hij spijt van heeft -van zijn naam wellicht?- zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar zijn nieuwste creatie heet wel Sorry. Hij heeft een sterke timing met zijn zwoele, maar herfstige muziek. De hoofdmoot wordt gevormd door warme shoegazergeluiden, waardoor allerlei pakkende elektronische geluiden worden gemixt. Hij zingt er met een licht ijle stem fraai doorheen. In 38 minuten en negen songs neemt hij je gewillig mee op een nostalgische, nachtelijke tocht. Het is een prachtige kruisbestuiving geworden van Styrofoam, Broadcast, Slowdive, Pale Saints, My Bloody Valentine, Disco Inferno en Young Marble Giants of zoals hipper is om te zeggen The xx. Eén ding is zeker, van deze cd hoeft hij absoluut geen spijt te hebben en de kopers ervan ook niet. Mooi sfeervol album!
Marc Richter is een druk baasje uit Hamburg die zich flink mengt in de experimentele elektronica scene. Hij runt er ook het Dekorder label en is als muzikant onder meer terug te vinden in Black To Comm. In 2006 ben ik direct onder de indruk van zijn cd Rückwärts Backwards, waarop hij met allerhande middelen een bloedstollende aaneenschakeling van intrigerend geluid creëert. Op de nieuwe cd Alphabet 1968 doet hij dat eigenlijk nog veel beter. Hij heeft er op zijn manier meer songs van trachten te maken, wat vooral inhoudt dat er in zijn klanklandschappen iets meer structuur en iets meer melodie te ontdekken valt. Want voor de rest maakt hij gewoon weer collages met gruizige scratches, vinyl loops, veldopnames, elektronica, stemmanipulaties, gamelan, duimpiano, insectengeluiden, orgels, gitaren, piano en klokkenspel. Daarmee schept hij een hypnotiserende, soms spookachtige hybride van glitch, neoklassiek, softnoise, drones, psychedelische en tribale muziek. Hij neemt je mee naar haast klassieke en bij de keel grijpende ambientsoundscapes tot hectische wereldtaferelen waarbij elektronica en traditionele instrumenten elkaar omarmen. Denk aan artiesten als Deaf Center, Graeme Revell, Fennesz, Philip Jeck, Pimmon, Keith Fullerton Whitman, Rameses III, Growing en Steve Reich. Continu weet hij je te verrassen met indrukwekkend geluid. Grote klasse!
De Amerikaan Alexis Gideon is naast muzikant tevens animator en filmmaker. Als muzikant lapt hij regels aan zijn laars en is hij een soort eenmanscircus dat aan genrebestormingen doet. “Schizo-rap New York Hillbilly” is het al eens genoemd. Maar inderdaad mengt hij hip hop met rock, avant-garde, maffe elektronica en dwaze experimenten door elkaar. Dat levert in 2007 de twee cd’s Welcome Songs en Flight Of The Liophant op. Toen hij erachter is gekomen dat zes van zijn acht overgrootouders van Hongaarse komaf zijn, is hij de Hongaarse mythologie en volksverhalen gaan bestuderen met in zijn achterhoofd al een muzikaal video project. In hoeverre dit voor een gewone sterveling een logisch proces is blijft de vraag, maar er rolt nu wel de release Video Musics uit, een heuse video hip hopera. Dit is een dvd met de animatiefilm waarbij je de soundtrack gratis kunt downloaden. Voor de dvd+cd versie moet je de Amerikaanse versie hebben op Sick Room Records. De andere, Europese versie zit op het alsmaar leuker en interessanter wordende label Africantape. Gideon wil graag de aandacht vestigen op de beelden, waarbij de muziek ter ondersteuning dient. Het zijn behoorlijk verknipte, maar boeiende beelden. Het gaat grotendeels over al die mythen en verhalen uit Hongarije, hoewel je dat al kijkend niet direct zult beseffen. Wel oogt het als een hypermodern sprookje met veelal grappige, springerige animaties. De muziek daarbij valt niet te negeren. In zes nummers van bij elkaar 20 minuten vertelt hij het verhaal in hip hop achtige muziek die het midden houdt tussen De Jeugd Van Tegenwoordig, Outkast, Cypress Hill, The Residents, Captain Beefheart, Beck, Mike Patton, Why?, Alias, Day One en een met heroïne platgespoten Eminem. Maar er duiken wel tientallen andere invloeden als folk, jazz, avant-garde en rock op zijn muziek. De muziek, kan je gerust stellen, valt eigenlijk niet te beschrijven. Het is verder niet iets om bloedserieus te nemen, maar het is wel serieus erg goed en beklijvend. Een unieke release.