Ik ben groot fan van het 4ad-label en met name uit het tijdperk 1980-1998; ofwel de tijd dat Ivo Watts-Russell aan het roer staat. Een grote sensatie is het toch wel als onze landgenoten Clan Of Xymox daar de twee albums Clan Of Xymox (1985) en Medusa (1986) vol heerlijk mysterieuze darkwave uit mogen brengen. Hoewel de groep op de eerste, doch geweldige demo Subsequent Pleasures uit 1983 nog Xymox heet en deze naam van 1987-1997 weer gebruikt, om daarna als Clan Of Xymox weder te keren. Naast kopman Ronny Moorings, die nog altijd sterk doorgaat, is het onder meer ook elektronicaspecialist Pieter Nooten die er deel van uitmaakt. Hij doet op de genoemde albums nog mee en tevens op de prachtalbums Twist Of Shadows (1989) en Phoenix (1991). Daarna gaat hij zijn eigen weg, die buiten de geijkte paden om vooral bestaat uit fraaie ambient. Samen met Michael Brook brengt hij daarvoor al in 1987 het sublieme Sleeps With The Fishes, tevens op 4ad. Voor mij nog steeds een monumentaal en toonaangevend album vol abstracte, etherische en bovenal diepgravende ambient. Verder schrijft hij ook nog een compositie voor het album Blood van This Mortal Coil. Hij werkt erna nog regelmatig samen met het andere ex-Clan Of Xymox lid Anka Wolbert, die er het eigen I-Rain label op na houdt, en geeft acte de présence op albums van Stoa en Waves On Canvas. Ik ben Pieter Nooten deels uit het oog verloren nadat hij zich in de jaren 90 op de projecten Cyberia, First Contact en Fingerprince heeft gericht. Jammer voor mij, want vanaf 2002 brengt hij onder zijn eigen naam weer muziek uit, waarvan de eerste twee Arctic (2002) en Ourspace (2006) niet meer verkrijgbaar zijn. Here Is Why (2010) en Surround Us (2012) alsmede de mooie verzamelaar Collected (2008) zijn nog wel beschikbaar; hier ben ik ook weer aangehaakt. Op zijn latere solowerken werkt Pieter (laptop, keyboards, zang) regelmatig samen met cellist Lucas Stam, soms met zangeres Yvette Winkler en live tevens met videokunstenares Miryam Chachmany.
Dit gegraaf in het verleden is allemaal naar aanleiding van de nieuwe dubbel cd Haven, waarop Pieter Nooten een geluid presenteert dat zowel zijn nieuwe muzikale richtingen als het mooiste van zijn oudere werken combineert. De “haven” als vertrouwde en veilige thuisbasis, maar ook als vertrekpunt naar nieuwe, onbekende en onzekere bestemmingen. Het is de derde die hij heeft gecomponeerd met de MacBook Pro. Ditmaal geen zang, beats en cello, maar eigenzinnige creaties die zich ergens op het mistige kruispunt bevinden van ambient, neoklassiek en puur elektronische muziek. Daarmee doet hij zich hier bepaald niet te kort, want hij weet je met zijn muziek bijna 2 uur lang aan de grond te nagelen, in de houdgreep te nemen, te omarmen en intens te roeren. Dit komt met name door het intieme, warme en persoonlijke karakter van de muziek. Het zit vol subtiele dramatiek, waarbij hij nergens verzandt in pathetiek maar je enkel diep weet te raken. De melancholische, verstilde muziek weet als een sluipschutter je ineens te grijpen om vervolgens niet meer los te laten. Pure schoonheid uitgegoten in tot de verbeelding sprekende en tevens confronterende muziek. Op momenten dat je denkt dat het niet nog meer droefgeestig kan worden, wordt het dat toch. Datzelfde geldt voor de pracht, die steeds in overtreffende trap je weet te verrassen en overrompelen. Hij brengt in feite het mysterieuze van This Mortal Coil, de bloedstollende neoklassiek van Deaf Center en Richard Skelton, de rustieke momenten van Clan Of Xymox, de isolationistische ambient van Vidna Obmana, de pianoriedels van Nils Frahm en Harold Budd en de gitaarambient van Michael Brook. Een plaat van nu met behoud van al het goede uit het verleden, wat wil je nog meer? Dat levert een intens en onaards mooi geheel op, waar je als melancholicus gewoonweg niet omheen kunt en wilt. Grandioos! Een serieuze kandidaat voor de jaarlijstjes.
De ietwat mysterieuze Britse groep met gevoel voor overdrijven, veel zelfvertrouwen en media gevoeligheid Public Service Broadcasting start in 2009 en brengt sinds de oprichting de mini albums EP One (2010), The War Room (2012) en Signal 30 (2013) uit. Ze putten hierbij uit archiefmateriaal van onder meer oude publieke informatiefilms en gieten dat in hedendaagse, veelal opzwepende muziek die tot de leftfield categorie gerekend mag worden. Achter deze band gaan J. Willgoose, Esq. en Wrigglesworth schuil, die naast samples ook laptopmuziek, drums, gitaar, theremin en een banjo in de strijd gooien. Live wordt dit met video’s begeleid.
Hun volledige debuut Inform - Educate - Entertain is nu een feit, waarop ze een ambitieuze en haast arrogante stelling innemen. Ze willen namelijk het publiek informeren, onderwijzen en bovenal vermaken. Dan moet je ook van goede huize komen om zoiets te bewerkstelligen. Maar de Britten komen er moeiteloos mee weg. Ter “informatie” introduceren ze hun muziek met de nodige samples en besef van heden en verleden. Qua “educatie” brengen ze een dwarsdoorsnede van de muziek uit de jaren 80 en 90 tot nu, muziek die je wel gehoord moet hebben. En dat gieten ze in een moderne mal die voor de nodige “entertainment” zorgt. Ze laten hier een volslagen unieke kruisbestuiving horen van wave, shoegaze, krautrock, indie, noise, post-rock, funk, plunderphonics, psychedelica, trip-hop, folk, rock en elektronische leftfield. Daarbij dienen namen als Negativland, Kraftwerk, Joy Division, Stereolab, Suicide, OMD, Brian Eno & David Byrne, Depeche Mode, Prince, Public Works en British Sea Power allemaal ter referentie, maar dan wel op afwisselende, veelal gecombineerde en verfrissende wijze en met een gezond gevoel voor humor. Het geheel is ontzettend knap in elkaar gezet en ook nog met de nodige diepgang en experimenten. Toch weten ze dat alles op een poppy en pakkende manier aan de man te brengen, niet zelden gepaard met een verslavende motorik. De lach, de traan en opwinding liggen dan ineens heel dicht bij elkaar. Horen is geloven. Een ijzersterk, ingenieus en eigenwijs prachtalbum!
In 2011, wanneer de retro muziek al flink om zich heen heeft gegrepen, verrast het Britse duo Still Corners op zeer aangename wijze met hun album Creatures Of An Hour, die zo uit de stallen van Creation en 4ad uit de jaren 90 lijken te zijn weggelopen. Dat alles op hedendaagse en eigenzinnige wijze gebracht, maar bij hun mix van droompop, wave en indie moet je wel op nostalgische wijze terugdenken aan de tijd van toen. De etherische, pakkende vocale partijen van Tessa Murray zijn echt een puur genot, maar de muzikale creaties van Greg Hughes mogen er ook wezen. Met zo’n albumtitel is het dan de vraag of ze slechts een eenmalige poging hebben gedaan om dit te bewerkstelligen, al is hun muziek eerder tijdloos en alles behalve vluchtig.
Het bewijs dat ze veel meer in huis hebben wordt op meer dan overtuigende wijze geleverd door hun tweede cd Strange Pleasures. Wat gebleven is zijn die heerlijke droompop met wave en indie invloeden en uiteraard die enigmatische zang van Tessa. Greg, die naar eigen zeggen verandering wil brengen om saaiheid en bloedeloosheid uit de weg te gaan, is iets meer gaan experimenteren met de elektronica. Maar in wezen brengen ze een fraai vervolg op de eerder ingeslagen weg, waarbij de zang al meer dan voldoende is om te overtuigen. Het is wel meer een mengelmoes van vervlogen en moderne muziek geworden. De bovenliggende associatie is mede dankzij de zang toch nog steeds die met de Cocteau Twins. Van de groepen van weleer komen tevens Swallow, Slowdive, OMD, Modern English en The Art Of Noise in mij op, maar er zitten ook zeker elementen van We Fell To Earth, The xx, Tamaryn, Beach House en Violet Indiana in hun muziek besloten. Soms moet je gewoon niet al te veel sleutelen aan een succesvol recept. Je daarom gerust stellen dat dit de ideale weemoedige popband is voor de melancholici onder ons. Het is allemaal ook nog eens bloedstollend mooi en aangrijpend en alleen daarom heeft de groep al een toegevoegde op het hedendaagse muziekaanbod. Vreemde genoegens? Nee, raar is het pas als je hier niets genietbaars aan vindt. IJzersterk tweede album waarop heel veel bijzondere schoonheid te vinden is.
Hoe sommige connecties tot stand komen blijft een raadsel, maar de Amerikaanse zangeres Sonya Westcott van Arthur & Yu en de Japanse muzikant Ayumu Haitani van 4 Bonjour’s Parties weten elkaar te vinden. Arthur & Yu maakt doorgaans dromerige indie met folk en Americana invloeden en 4 Bonjour’s Parties brengt stemmige, speelse indie met folk en IDM elementen. Samen brengen ze als We Are Loud Whispers de gedroomde dwarsdoorsnede van beide. Ze hebben hun composities per e-mail uitgewerkt.
Het resultaat hiervan is terug te vinden op hun debuut Suchness. Ze klinken vooral als een natuurlijke band, waarbij je door de intimiteit totaal geen afstand vermoedt. De muziek is een speelse mengelmoes geworden van droompop, bubblecore, playtronica, indie, shoegaze en folk. Hiermee weten ze pakkende, licht hallucinerende songs te brengen die ergens tussen Stereolab, Sufjan Stevens, Lush, +/-, Colleen, My Bloody Valentine, Tunng, Dntel en Donna Regina uitkomen. De charmante en goed doordachte liedjes weten je meteen te omarmen. Ze zijn zoet, maar nergens valt het glazuur van je gebit, want daarvoor is het te goed en melancholisch. En ook lekker vrij en kneuterig, maar dat wel tot kunst verheven. Fluisterrijke pracht die keihard binnenkomt. Een geweldig droomdebuut!
Waarom sommige bands niet willen verklappen waar ze vandaan komen en hun identiteit niet prijs willen geven is mij een raadsel, maar in feite maakt het voor de muziek ook niet heel veel uit. Je kunt een groep dan enkel beoordelen op hun sound en wat minder op hun achtergrond. Dit is ook het geval bij de in 2009 opgerichte groep Slow Earth. Ze schijnen ondanks hun Zweedse website, waarbij het se-achtervoegsel enkel een afkorting van de band is, ergens uit Oost-Europese industriestad afkomstig te zijn. Ik vermoed door de start van hun tournee in Boedapest dat Hongarije een voor de hand liggende optie is. Alleen klinkt de zang zo ontzettend Engels dat ik daar mijn hand niet voor in het vuur durf te steken.
Hoe dan ook presenteren ze, ik ga er vanuit dat ze met meer zijn, nu hun in eigen beheer uitgebrachte mini …….Latitude And 023. Een tweede raadsel dient zich meteen aan, want deze cd zou 5 nummers bevatten, maar de teller staat toch echt op 7. Bij elkaar duurt dit alles dan ruim 28 minuten en is afgemixt door niemand minder dan Dan Leffer (U2, Muse, RHCP). De muziek houdt het midden tussen post-rock, indie, pop en shoegaze. De emotioneel geladen, iets verhoogde mannenzang in het Engels vormt daarbij één van de belangrijkste pijlers op het album. Maar ook de licht experimentele en vooral pakkende muziek vol scheurende gitaren, stuwende drumpartijen en verleidelijke pianopartijen mag er wezen. Ze brengen op eigengereide wijze iets dat het midden houdt tussen Breathless, Radiohead, Heligoland, Blur, Mono en Muse. Bijzonder smaakvol en met een sound die het over welke grens dan ook goed zal (kunnen) doen. Een ontwapenend kleinood!
De twee geweldige Amerikaanse labels Aagoo en Important Records, die het experiment hoog in het vaandel hebben staan, komen nu respectievelijk met de lp (gelimiteerd tot 300 exemplaren) en cd uitgave van Sal Mineo. Dit is een joint venture van Xiu Xiu’s Jamie Stewart en Eugene S. Robinson, die beide ook uitblinken in experimenteren en samenwerken.
Met Xiu Xiu is Jamie al bijna 11 jaar actief, waarmee hij de wereld bestookt met zijn eigenzinnige mix van pop, rock, disco, avant-garde en experimentele muziek, afgewisseld met zijn XXL project samen met de mysterieuze band Larsen. Zijn enigszins hoge, soms neigend naar het prettig valse stem speelt daarbij een grote rol. Hij heeft met Xiu Xiu al acht albums afgeleverd. Daarnaast houdt hij er met Zola Jesus het project Former Ghosts op na en heeft hij gewerkt met uiteenlopende artiesten als Grouper, Carla Bozulich, Devendra Banhart, John Dieterich (Deerhoof), Ches Smith (Mr. Bungle, John Zorn, 7 Year Rabbit Cycle, Marc Ribot, Terry Riley), My Brightest Diamond en ook Eugene S. Robinson.
Eugene S. Robinson is waarschijnlijk het meest bekend geworden als de enigmatische, donkere voorman van zijn band Oxbow met zijn enigmatische, krachtige en toch hoge stem. Buiten dat is hij ook in de bands Black Face (met ex-Black Flag leden) en Whipping Boy actief geweest en heeft hij met artiesten als Jarboe, Lydia Lunch, Marianne Faithfull, DJ Rupture, Zu, Black Sun, Old Man Gloom, Barry Adamson, Klaus Flouride, Allen Ginsberg, Bevin Kelley van Blectum From Blechtdom, Todd, Capricorns, Philippe Petit en vele andere samengewerkt. Je kunt gerust spreken van een graag geziene gast en een veelzijdig muzikant. Verder schrijft hij ook boeken, waarvan er inmiddels al verscheidene van zijn gepubliceerd.
Nu komen beide heren samen om hun gezamenlijke album Sal Mineo te presenteren. De naam hebben ze ongetwijfeld ontleend aan de acteur Salvatore Mineo (1939-1976), die naast James Dean als John “Plato” Crawford een belangrijke rol vervult in de film Rebel Without A Cause (1955). Hij wordt vermoedelijk om zijn homoseksuele geaardheid op brute wijze met een mes vermoord. Niet toevallig is hetgeen Stewart (muziek en additionele zang) en Robinson (zang) hier laten horen obscuur en behoorlijk filmisch. Ze creëren een unheimische dodenrit met onderwerpen als wapens, drugs, haat en andere dodelijke dan wel aanstootgevende zaken. Het is confronterende muziek, die meer als een hoorspel vol spoken word en een soundtrack voor een niet imaginaire film aandient. De nadruk bij dit alles ligt op het mislukken van andersdenkende en voelende mensen in de maatschappij, hetgeen aansluit bij hun eigen wereld. Onrecht als thema. Dat geeft je als luisteraar een ongemakkelijk gevoel, maar weet je wel tot op de laatste seconde te boeien. Ze serveren maar liefst 23 tracks die bijna 35 minuten duren; de nummers klokken tussen de 30 seconde en 3,5 minuut, waarbij de impact los van de lengte groot is. Eigenlijk hoor je weinig terug van hetgeen ze beide hiervoor gemaakt hebben en weten ze elkaar tot grote hoogtes en verschillende richtingen te drijven door vrijelijk te improviseren. Dat alleen is al een mooi gegeven. Met bellen, waterige orgels, gongs, synthesizers, tamboerijn en blaasinstrumenten schetst Stewart de grote lijnen en brengt Robinson de inhoud met zijn gesproken woord, boze zang en gefluister, Het doet meermaals denken aan een sinistere kruisbestuiving van The Double U, Tom Waits, Philippe Petit en Larsen in een productie van David Lynch. Een aangrijpend album vol ondefinieerbare schoonheid en biologerende ingrediënten.
Ik krijg met enige regelmaat ontzettend leuke, dynamische en vooral opwindende muziek uit Italië teogezonden. Net als in de rest van Europa is er een hang naar de jaren tachtig, maar weten onbekende bands als Don Turbolento, Shijo X, Aedi, Blue Willa, The Somnambulist, Niagara, Edible Woman, Father Murphy, The White Screamed Shout, POST en Wora Wora Washington dit en afgelopen jaar op onderscheidende wijze een diepe indruk te maken. Nu is er weer een nieuwe band die het verschil weet te maken. Deze luistert naar de fijne naam Kill Your Boyfriend. De groep start in 2011 met Matteo Scarpa (zang, gitaar, synth-bas) en Marco Fontolan (gitaar). Matteo ken ik nog van de eerder genoemde, fijne band Wora Wora Washington, die vorig jaar met hun tweede cd Radical Bending op de proppen komen. Die staat vol opzwepende muziek en komt ergens tussen powerpop en krautrock uit. Daarnaast is hij terug te vinden in de bands The Transister en Kitsune. Van die laatste band kent hij Marco dan weer. Er volgt een ep ter promotie en toetsenist Roberto Durante wordt aan de formatie toegevoegd. Voor hun debuut en live tournee is het echter drummer Antonio Angeli die hen vergezeld en de eerdere drumcomputer bij hun optredens vervangt. Ze treden voornamelijk als drietal op.
Op het gelijknamige debuut staan alle vier de namen er echter nog op, ook omdat er nummers van de eerste incarnatie tussenstaan. Tevens geeft “Vicar” Vittorio Demarin van Father Murphy acte de présence in twee tracks op drums en altviool. De groep levert 8 tracks af, die ruim 35 minuten duren. Ze produceren een gruizig rockgeluid, maar laveren daarbij wel van post-punk, analoge synthesizermuziek uit de jaren 70 en dark wave naar noise, shoegaze, surfrock, spacerock en experimentele muziek. Hierdoor is het geluid net zo consistent als breed. De pakkende, felle zang van Matteo doet wisselend denken aan die van Johnny Rotten (Public Image Limited), Black Francis (Pixies) en Paul Banks (Interpol). Ook de muziek heeft zeker raakvlakken met die van PiL, Pixies en Interpol, al vormt dat zeker niet de hoofdmoot. Ze pakken het zoals gezegd groots aan en putten voor het leeuwendeel uit de spacerock van Spacemen 3, de verpletterende noise van A Place To Bury Strangers en The Jesus And Mary Chain, de donkere wave van Joy Division, de beangstigende experimentele wave van Suicide en de heerlijke shoegaze van My Bloody Valentine met her en der de motorik van Neu!. Telkens weten ze oude en nieuwe elementen gebroederlijk en op pakkende wijze naast elkaar te plaatsen, waardoor ze een geheel eigen smoel krijgen. Los van dit alles is het een bruisend feest der herkenning geworden, waar het simpelweg genieten geblazen is. Opzwepend, onder de huid kruipend en ijzersterk uitgevoerd. Geweldig album!
Greg Haines, Kreng, Encre, Rafael Anton Irisarri, Gultskra Artikler, Simon Scott, Juv, Kaboom Karavan, Gareth Davis & Frances-Marie Uitti, Marcus Fjellström, Jasper TX, FNS, Elegi en B/B/S/ delen allen het toonaangevende Miasmah label. Deze belicht, excuses voor de woordkeuze, de meer duistere, droefgeestige, veelal elektronische en neoklassieke zijde van de muziek. Er is geen album te vinden dat niet op zijn minst fascinerend is, al is het merendeel ook nog eens van een bijzondere schoonheid. Het is duidelijk waar de voorliefde van labelbaas Erik K. Skodvin ligt, die zelf muzikaal van zich laat horen in Deaf Center met Otto A. Totland, onder zijn eigen naam en zijn soloproject Svarte Greiner. Hierbij klinkt dat laatste als een enge ziekte die ik nooit hoop te krijgen. Muzikaal gezien is het dan ook veelal broeierige duisternis wat de klok slaat. Zelf noemt hij het akoestische doom, hetgeen de lading ook wel dekt. Hij debuteert in 2006 met Knive op Type, een opzienbarend duister werk, mede door de focus op akoestische, klassieke instrumenten. Met Kappe uit 2009 op datzelfde label gaat hij daar qua impact nog een stapje overheen. Vier lange stukken die opgebouwd worden uit drones, duistere ambient, samples, veldopnames, gitaareffecten en geluiden van cello, viool en orgel. Daartussen zit nog de lp Man Bird Dress (2009 op SMTG Limited) die er ook niet om liegt. In 2010 verschijnen achtereenvolgens op de labels Digitalis Industries, Fysisk Format en Experimedia de cd/lp Penpals Forever (And Ever), de split-lp met Le Corbeau en een titelloze lp. Eveneens brengt hij in eigen beheer uitgegeven mini’s uit en brengt hij op het fijne Sonic Pieces onder zijn eigen naam eveneens in 2010 het album Flare uit, waarmee hij meer de dark ambient en neoklassieke kant opgaat. De rode draad, die zwart is, in al zijn muziek wordt gevormd door de duistere atmosfeer die schoonheid uitademt. De uit Oslo afkomstige Noor opereert overigens tegenwoordig vanuit Berlijn.
Hoog tijd voor een nieuwe plaat dus. Deze is er draagt de titel van één van de twee tracks, namelijk Black Tie, die bij elkaar wel ruim 41 minuten duren. De muziek is oorspronkelijk bedoeld als soundtrack voor een installatie “Something In The Way” van de Noorse artiest Marit Følstad, maar is gaandeweg uitgegroeid tot een heel album (deels) los hiervan. Het zijn de langste stukken die hij ooit gemaakt heeft en dat vraagt ook wat van de luisteraar, waarbij de tijd overigens voorbij lijkt te vliegen. Dit mede doordat de muziek je in een prettige houdgreep neemt. In de gelijknamige openingstrack maakt hij muziek die nog het meest aansluit bij zijn vorige albums en die van Deaf Center. Hij schetst een duister klanklandschap dat gevormd wordt door kale, haast skeletachtige geluiden van bastonen die me ook doen denken aan Bohren Und Der Club Of Gore. Er is heel veel ruimte gelaten tussen die tonen die hij op spannende wijze inkleurt met krakende geluiden, subtiele elektronica en echoënde celloklanken. Hiermee weet hij een enorme spanning op te bouwen. Bloedstollende pracht die heel langzaam uitgevouwen wordt tot een duistere symfonie. Dan heb je pas de helft gehad. In de tweede compositie “White Noise” pakt hij het anders aan; hij ziet dit album dan ook als een yin en yang van zijn creaties. Hier wordt de basis gelegd door synthesizerdrones, die als een Thomas Köner-achtige permafrostlaag onder de muziek komt te liggen. Daar bovenop plant hij ijle geluiden van Oosterse strijkgeluiden en andere fragiele geluiden. De isolationistische muziek roept hierbij ook associaties op met Biosphere, David Toop/Max Eastley, Ice en Seefeel. Het is uiterst rustgevende muziek, zij het dat de spanning te snijden is. Al met al levert Skodvin hier weer een onwaarschijnlijk mooi, bij de strot grijpend meesterwerk af.
Je hebt af en toe van die spraakmakende en smakelijke virtuozen, die net even iets anders weten te brengen dan de rest. De Amerikaanse en tegenwoordig in Montréal, Canada, woonachtige saxofonist Colin Stetson is daar een goed voorbeeld van. Hij brengt al sinds 2003 albums uit, maar speelt zich pas echt in de kijker als hij aan zijn New History Warfare trilogie begint. Hij heeft ook al gewerkt met Arcade Fire, Bell Orchestre, Tom Waits, TV On The Radio, Feist, Bon Iver, My Brightest Diamond, Laurie Anderson, David Byrne, Jolie Holland, Sinéad O'Connor, LCD Soundsystem, The National, Godspeed You! Black Emperor, Larval, 2 Foot Yard, Beulah, Burning Spear, Angelique Kidjo, Kevin Devine, Beanie Burnett, Mats Gustafsson en Anthony Braxton. Nu wordt hij omarmd door het Canadese kwaliteitslabel Constellation, dat in aanvang toch eigenlijk altijd een doorgeefluik geweest van uiteenlopende smaken Canadese post-rock, waarbij de projecten rond Godspeed You! Black Emperor de boventoon voeren. Toch zijn ze na een jaar van bezinning een heel andere koers gaan varen daar, met meer experimentele en bredere muziek, waarmee het label een flinke opleving beleeft. Niet eerder is dat met een blazer in de hoofdrol, al kan je Colin Stetson ook niet tot een doorsnee blazer bestempelen. Met zijn alt-, tenor- en bassaxofoons weet hij een eigen pad in de muziek te scheppen. In 2007 komt hij op het experimentele label Aagoo met New History Warfare Vol. 1, waarop de klassiek geschoolde Stetson zijn voorliefde voor artiesten als Steve Reich, Sonic Youth, John Coltrane en zelfs de Pixies niet onder stoelen of banken steekt. Experimentele muziek en avant-garde met een knipoog naar de rockmuziek. Dat doet hij nog uitgebreider en eigenlijk ook beter op New History Warfare Vol. 2: Judges (2011). Stetson zet zijn bassaxofoon in om de kaders te scheppen, die het midden houden tussen jazz, metal, drones, minimal, gospel, avant-garde en klassiek, waarbij naast de eerdere invloeden ook Bach, Jimi Hendrix en Peter Brötzmann naar voren komen. Hierbij laat hij gastzangeressen Laurie Anderson en Shara Worden (My Brightest Diamond, Sufjan Stevens, Sarah Kirkland Snider) het geheel voorzien van innemende, soms mysterieuze zang en spoken word. Hij slaat hiermee een brug tussen improvisatorische muziek en popmuziek, waarbij hetgeen zich op de brug afspeelt ongelooflijk interessant. Dat maakt zeer nieuwsgierig naar het laatste deel. Hierna verschijnt eerst in 2012 nog de cd Stones samen met Mats Gustafsson.
Nu is dan eindelijk deel drie van zijn trilogie een feit, die voluit New Histroy Warfare Vol. 3: To See More Light heet. Colin Stetson zet zijn bas- ook de alt- en tenorsaxofoon in en creëert daarmee allerlei bevreemdende stukken die genres doorkruizen. Je zou het als experimentele freejazz kunnen bestempelen, maar ook nu tapt hij weer uit zoveel vaatjes dat dit de muziek echt geen recht aan zou doen. De saxofoonpartijen worden dikwijls op minimal en staccato wijze gebracht, waardoor er een behoorlijk hypnotiserende werking vanuit gaat. De opnames klinken behoorlijk rauw en direct. Na even bladeren is het inderdaad weer die duvelse componist/producer Ben Frost, die dat geluid zo fraai weet te vangen. In vier van de 11 tracks zingt (als wederdienst) Justin Vernon (Bon Iver, Mount Vernon, Volcano Choir) mee. In de openingstrack is dat nog herkenbaar, maar later als overdubs lijkt het wel een metalstem. Colin Stetson weet zoveel te scheppen met zijn instrument, dat je enkel maar gefascineerd kunt blijven luisteren. Dat wel op de punt van je stoel, want het is nergens eenvoudig maar wel steeds spannend en verrassend. “To see more light”, ja daarna…mocht je er behoefte aan hebben. Grandioos!
Brussel is in de jaren 80 de bakermat van de betere alternatieve muziek. Artiesten en groepen van de hele wereld vestigen zich daar, waarbij dikwijls het Crammed label een rol speelt. Eind jaren 80 komt daar een meer experimenteel label bij, namelijk Sub Rosa. De bands van de jaren 80 zijn inmiddels vertrokken, maar dit label weet wel de avontuurlijke muziek vanuit de hele wereld uit te brengen, dikwijls ook via de inmiddels ter ziele gegane sublabels Quantum, Audiosphere en Quatermass. Ik volg het label zelf sinds de begin jaren 90. Met releases van David Shea, Michael Gira, Beautiful People Ltd, Charles Hayward, Scanner, Silk Saw, Rawfrücht, Bill Laswell, Mick Harris, Calla en niet in de laatste plaats Zahava Seewald & Psamim zijn ze al snel meer dan toonaangevend, met uiteenlopende prachtige en interessante releases als prettig gevolg. En nog altijd verschijnen er releases die het verschil maken.
Die laatst genoemde Belgische groep met Zahava Seewald als zingend boegbeeld is er één die ik ook op de voet volg. De in Antwerpen geboren, maar tegenwoordig in Brussel wonende zangeres krijgt al sinds haar jeugd Liturgische zang in het Hebreeuws en Joodse muziek met de paplepel ingegoten. In 1992 richt ze de groep Psamim op. Hiermee levert ze de prachtige albums Ashkenaz Songs (1995) en Ashkenaz Songs II: Work And Revolution (1999) af, vol hartverscheurende Jiddische muziek. Klezmer met een Oosters tintje en lichte experimenten. Daarvoor is ze overigens ook al te horen in de groep Mosaic met de cd Yiddish & Judeo-Spanish Songs (1993). Ook al versta je de taal wellicht niet altijd, ze zingt naast Frans namelijk ook in het Hebreeuws, Jiddish en Ladino, de muziek zal je meestal niet onberoerd laten. Het is ook zo goed dat ze opvallen bij John Zorn, die op zijn New Yorkse Tzadik label de cd Abi Gezint! (1999) van Psamim uitbrengt, gevolgd door de Martin Weinberg tribute Koved (2003). Verder geeft ze in datzelfde jaar ook acte de présence op de verzamelaar Great Jewish Music: Sasha Argov en op John Zorn’s The Unknown Massada. Hierna wil Seewald zich toeleggen op de meer poëtische kant van de muziek. Dat doet ze met de groep Zohara waar in 2005 op datzelfde label Scorched Lips verschijnt. Een meer experimentele en poëtische benadering van de Joodse muziek en minder de Jiddische kant op. Het blijft onverminderd van een uitzonderlijke klasse.
In die groep werkt ze onder meer samen met de Belgische componist, multi-instrumentalist, zanger en elektro-akoestische artiest Michaël Grébil. Hij heeft een groot deel van zijn muzikale leven gewijd aan Middeleeuwse muziek en in het bijzonder het werken met de luit. Dat komt in diverse projecten, waaronder Hespèrion XXI, op fraaie wijze naar buiten.
De twee hebben elkaar nu weer gevonden in een nieuw gezamenlijk project en brengen op het fijne Sub Rosa de cd From My Mother’s House uit. Hierop brengen ze 17 tracks die bij elkaar ruim 64 minuten duren. Grébil schept de muzikale kaders, die uiteenlopen van elektro-akoestische muziek tot (gesamplede) sacrale en Oosterse muziek, waarbij Seewald haar zang en dikwijls ook spoken word ten gehore brengt. De teksten bestaan uit de gedichten van Joodse auteurs, van onder meer Paul Celan, Léa Goldberg, Rose Ausländer, Richard J. Fein en Moyshe-Leyb Halpern. Daarnaast vind je er ook een traditionele tekst en een psalm. Samen met gasten op altviool, duduk en meer fabriceren ze hier een intiem geheel dat elke verbeelding te boven gaat. Het is een mengelmoes van musique concrète, vintage chansons, Oosterse elementen, sacrale muziek (alle drie door de samples), plunderphonics, filmmuziek en neoklassiek. De muziek is als een luisterfilm, een ingesproken boek of een hoorspel en laat zich niet eenvoudig vangen of beluisteren. Maar als je er eenmaal echt goed inzit en gegrepen wordt, weet het je op overrompelende wijze te betoveren. Hoewel elke vergelijking spaak gaat kom je ergens uit tussen Winter Family, Arvo Pärt, Philippe Petit, David Shea, Zohara, Public Works, Set Fire To Flames, Giacinto Scelsi en een David Lynch soundtrack. Thema’s al de dood, verdriet, angst, onschuld, barbarisme en schoonheid komen hier allemaal langs en laten een diepe indruk achter. De muziek weet te emotioneren, te intrigeren en te bezweren door de unieke pracht. Een volslagen eigenzinnig en verbluffend album dat niet snel een gelijke zal ontmoeten. Dit is één van die snoepjes van de avontuurlijke buitencategorie die de muzikale wereld opsiert. Meesterlijk, magistraal en mooi!